www.plankenloodsje.nl

 

Herinneringen aan 't Plankenloodsje.
Door: Theo Bijker

 


In augustus 1964 ging ik, op zesjarige leeftijd naar deze school. Mijn ouders hadden lang gedubd over de vraag waar hun oudste zoon naar school moest gaan. Wij woonden in het Westeinde (no 220), net over het spoor, in de bocht, op de kop van het Noordeinde. De school op De Meele was een mogelijkheid en de school in Nieuwleusen (nu het Kompas, Ruitenveen) ook. Het werd uiteindelijk Het Plankenloodsje.


Toen ik, fietsend onder begeleiding van mijn buurmeisje Gerrie Kok, op de tweemansschool van meester de Jong en juf Tuininga kwam, telde deze 44 leerlingen. Er waren drie lokalen waarvan er twee gebruikt werden. Ik kwam in de eerste klas met in totaal 5 kinderen: Jan Schutte, Johan Boom, Jannie van Dijk en Jan Ekkelenkamp, naast wie ik op de achterste bank aan de straatkant zat. Hij werd al snel een vriendje die bij mij thuis kwam spelen en omgekeerd. De lokalen waren toen al ingericht met tafeltjes in plaats van banken. We schreven al met een ballpoint. Op de eerste dag voelde ik mij er al snel thuis.
Juf Tuininga herinner ik me als een lief mens. Ze kwam vanuit Zwolle naar school in een Daffodil. Juf Tuininga at tussen de middag altijd witte boterhammen met kaas. Geen dubbele boterhammen zoals wij. Zij at altijd keurig met haar mond dicht. Juf Tuininga maakte vaak afkeurende opmerkingen over en naar kinderen die onder de les naar het toilet moesten. Ik kan mij herinneren dat Johanna Hageman om die reden nogal eens op haar kop kreeg van haar . Ik dacht al snel, dat zal mij niet snel overkomen. Tot ik op een vrijdagmiddag in het voorjaar van 1965 heel nodig moest en niet durfde te vragen om een toiletbezoekje. Het was al korte broekenweer en ik zat achter in de klas. Heel, heel stil, heb ik mijn plasje onder de tafel gedaan. Niemand had het door. Zo verliet ik de school heel stilletjes met de andere kinderen. Toen ik maandagochtend weer op school kwam, was het plasje ingedroogd tot een gelig plekje op het grijze linoleum.


Toen ik net in de tweede klas zat botste ik op het schoolplein tegen een meisje op uit de eerste klas, waarvan ik de naam vergeten ben. Beiden hadden we een beste buil op ons voorhoofd. Het meisje zat voor in de klas vlak voor juf Tuininga. Het onfortuinlijke kind zat op een gegeven moment met haar ogen dicht stil te bidden, mogelijk om minder pijn te voelen, maar ach ik vul ook maar wat in. Juf Tuininga zag dit en greep in door het meisje een stevige terechtwijzing te geven, ten overstaan van de hele klas. Ze benoemde het bidden van het kind niet, maar hield haar voor dat zij moest opletten. Ik ben dit nooit vergeten.


In de tweede klas kwam Lubbert Arnoldink bij ons in de klas. Hij had kennelijk besloten wat langer over de school te doen. Een groot deel van het jaar heb ik naast hem gezeten en veel plezier met hem gehad. Ook zat ik een periode naast Henrie Reuvekamp. In de tweede klas mocht ik meevoetballen met de grotere jongens op het voetbalveld. De plastic bal kwam, dacht ik, bij de familie Arnoldink vandaan. Lubbert en zijn broer Albert schepten flink op over hun vader die een voetbal zo hoog de lucht in kon schoppen dat je hem niet meer kon zien. Lubbert geloofde in Sinterklaas, Albert niet.
De goals op het voetbalveld bestonden uit een viertal oude betonnen poeren met een roestig stuk ijzer dat er bovenuit stak. Een echt voetbaltalent was, in mijn ogen, Klaas Kok. Hij speelde altijd op klompen en kon daar geweldige dribbels over het hele veld mee maken. Ook Jan Bremmer kon aardig voetballen.
Over klompen gesproken. Het merendeel van de kinderen liep, zeker in de winter, op klompen. Die moesten dan in de gang, onder de kapstok staan. Soms was er een grappenmaker die een schop tegen de rij klompen gaf. Dan begon er een barre en chaotische zoektocht naar je eigen klompen, want ze waren bijna allemaal geel.


Het knikkerseizoen kan ik me ook nog goed herinneren. Dat duurde altijd een aantal weken en bracht naast veel lol ook frustratie met zich mee. Mijn blikje knikkers werd geplunderd toen ik deze even op de plank boven de kapstok gezet had.
Van de spelletjes kan ik me 'blikspuit' nog goed herinneren. Verder was er veel hilariteit als we 'één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, wie mag ik een kusje geven', deden. Met zijn allen in een kring en één kind in het midden met een blinddoek, die moest ronddraaien met uitgestoken wijsvinger.


Na enige tijd op school fietste ik niet meer met Gerrie Kok mee, maar met Jan en Harm en later Henk van de Linde, die aan de Bese woonden. Onze gesprekken gingen vaak over trekkers, 'hoeveel pk is die van oen va?'. Op de heenweg fietsten we de weg tot het Lichtmiskanaal en dan het stukje rechtsaf naar de school. Op de terugweg mocht dit niet omdat dit te gevaarlijk was en moesten we via de Markteweg naar de Nieuwleusenerdijk. Een enkele keer, als meester de Jong nog niet aan de weg stond om de kinderen uit Haerst over de grote weg te helpen, overtraden wij deze regel, meestal op initiatief en onder aanvoering van Jan van de Linde.
Ik herinner me dat er eenmaal een forse westerstorm stond toen we uit school kwamen. Rieneke van Dijk, toen in de eerste klas en een zusje van Nelie, kon de scherpe bocht naar rechts op de Markteweg niet halen en vloog rechtdoor de sloot in, waarin een laagje water stond. Huilend en met een nat pak vervolgde zij haar weg naar huis.
Wat ik mij ook nog goed herinner is de brand bij de boerderij die voor de boerderij van Arnoldink stond. (Het Blik, zie hier) Die stond volledig in de fik, toen ik op een ochtend naar school fietste.


Ik ben tweemaal mee geweest op een schoolreisje. Het eerste reisje ging naar de omgeving van Arnhem, naar 'De Bedriegertjes'. Van mijn lieve ouders, die natuurlijk niet wilden dat ik iets tekort kwam, kreeg ik twee gulden mee. Ik heb die dag een fors aantal ringen uit een draaiautomaat gehaald en kwam 's avonds zwaar beringd aan beide handen weer thuis. Ik had, als ik minder naïef geweest was, nog veel meer ringen mee kunnen nemen. Toen ik nog één gulden over had kwam Jan van de Linde bij mij en bood een volle hand met kleingeld aan, in ruil voor mijn gulden. "Als ik die kriege, dan krieg ie dit allemoale van mi'j". Ach, ik was de beroerdste niet en ben op dit aanbod ingegaan.
Het tweede reisje was naar Giethoorn. We gingen ook naar een museum, ik dacht in Zwartsluis. Ik kan mij nog herinneren dat ik daar voor het eerst een embryo op sterk water zag van een koe met twee hoofden. Ook kan ik me herinneren dat dhr. en mevr. Hogenkamp, de ouders van Marrie meegingen met het schoolreisje. Ik kreeg geen twee gulden meer mee van mijn ouders, maar wel de boodschap om af te zien van de aanschaf van ringen.

Bakker Padberg, de vader van en Hannie, Ria en Miepie, was onze bakker. Hij kwam aan huis. Mijn ouders hadden een schilderij van hem. Hij gaf zijn vaste klanten een schilderij als er een jubileum was. Ik heb het schilderij, een krijttekening, onlangs opnieuw ingelijst en deze hangt nu op mijn kantoor op het werk.


In de zomer van 1966 verhuisde ik met mijn ouders en jongere broer en zus naar Woudenberg, net onder Amersfoort. Mijn vader had lichamelijke klachten en voelde ook wel voor een burgermansleven. Bovendien was hij geen boer in hart en nieren. Hij had zich intussen laten omscholen tot veevoedingsvoorlichter. Mijn opa en oma (vaderszijde) bleven wonen en boeren in het Westeinde.
In Woudenberg kwam ik op erg strenge school met 700 leerlingen. Dat bracht aanpassingsproblemen met zich mee. Ik heb daar vaak terugverlangd naar de vredige boereneenvoud van het Plankenloodsje. In de eerste periode, in de 3e klas, heb ik een aantal malen, na vechtpartijen, naast de bovenmeester onder de klok moeten staan toen de kinderen, klas na klas, de school ingingen. De grotere jongen liepen langs en sommigen spuugden me in het gezicht. De bovenmeester zag dit, maar liet het toe.
In deze periode kreeg ik soms brieven van mijn oude klasgenoten en juf Tuininga. Ik weet niet of ik vaak teruggeschreven heb. Na enige tijd hielden de brieven op.
Twee jaar later, in het voorjaar van 1968, verhuisden wij naar Balkbrug. Daar ben ik verder opgegroeid. 

Na een periode te hebben gewoond in Apeldoorn en Kampen, woon ik vanaf 1986 op de Worp aan de westkant van de IJssel bij Deventer. Ik ben getrouwd en heb twee kinderen, een jongen en een meisje van 21 en 19 jaar. Ik heb jarenlang als maatschappelijk werker gewerkt in de dak- en thuislozenzorg en werk sinds acht jaar bij het Ministerie van Justitie in Zwolle.
Ik heb de afbraak gezien van het Plankenloodsje en de ontwikkeling en groei van De Hessenpoort. In 1996 of 1997 heb ik de buitenkant van de school, toen deze niet meer gebruikt werd, net voor de afbraak, op een avond gefotografeerd. Alles was bij het oude gebleven; het blikken fietsenhok, de boom, het voetbalveld, de beukenbosjes, als afscheiding achter het fietsenhok.


Vanaf 2005 fotografeer ik, soms met tussenpozen, mijn geboortegrond. Niet de Hessenpoort, dat boeit me niet. Wel de Markteweg, het laatste rechte stuk tot de Nieuwleusenerdijk. Ook leg ik in verschillende jaargetijden het landschap vast tussen de Lichtmis en het Westeinde, vooral aan de oostzijde van de A28. Er is op zich weinig bijzonders te vinden in dit landschap. De weersomstandigheden moeten het fotografisch interessant maken. 

(foto's volgen nog) 

 

Kijk, en zo willen we nog wel een paar verhalen. Het mooiste zou zijn een verhaal wat hier op in haakt.

Meel ze naar: plankenloodsje@outlook.com